WVDD: koopkrachtsnoepje

Alle kranten schrijven vandaag over de rijksbegroting en de miljoenennota. Een feestbegroting oordelen sommige commentatoren, een opinieschrijver in het Financieele Dagblad houdt het op een mooiweerbegroting, een nog vrij onbekend woord. Andere synoniemen, die we in verband met deze begroting nog niet in de media hebben aangetroffen, zijn jubel– en juichbegroting.

Er zijn natuurlijk ook commentatoren die vinden dat de burger juist te weinig profiteert van de ‘economische rugwind’, terwijl economische zwartkijkers – of zo u wilt realistische economen – erop wijzen dat het kabinet eenmalige meevallers op een onverstandige manier aan het verjubelen is door er structurele uitgaven mee te financieren.

Veel nieuwe woorden leveren de rijksbegroting en de miljoenennota vanochtend echter niet op in de kranten, of het moest het woord koopkrachtsnoepje zijn, dat vanochtend zijn debuut maakt in De Volkskrant:

Hoewel de regering dus geld opzijzet voor de hongerwinter, heeft zij toch geld weten te vinden voor extra koopkrachtsnoepjes. Daardoor gaan gezinnen er in doorsnee niet 1,3 maar 1,5 procent in koopkracht op vooruit. Het kabinet heeft de burgers op de valreep ruim 700 miljoen euro cadeau gedaan door minder inkomstenbelasting te heffen dan eerder gepland. Ook mkb-ondernemers krijgen een onverwacht belastingcadeautje in box 2.

Koopkrachtsnoepje is een metafoor voor een financiële meevaller voor de burger waardoor diens koopkracht stijgt. Koopkrachtsnoepje herinnert aan de uitdrukking het snoepje van de week waarmee grootgrutter De Gruyter vroeger klanten aan zich bond en naar zich lokte. Koopkrachtsnoepje suggereert dat het kabinet de burger wil paaien door hem wat meer financiële speelruimte te geven. Koopkrachtsnoepje is gevormd met snoepje in de metaforische betekenis ‘iets extra’s om iemand tevreden te stellen, te troosten of een teleurstelling te verzachten’. Heel in de verte herinnert snoepje in deze betekenis aan de uitdrukking een doekje voor het bloeden.

Financiële en fiscale snoepjes

Je treft het woord snoepje de laatste tijd trouwens vaker aan in deze metaforische betekenis. Zo had columnist Theodor Holman het in mei van dit jaar in Het Parool over een financieel snoepje:

We moeten de aller-aller-allerarmste leren dat werken goed voor hem is, zoals je een hond zindelijk moet maken. Dus we verlagen de uitkering, en iedere keer dat de aller-aller-allerarmste wat goed doet, waarderen we dat. Dan geven we hem een financieel snoepje. Zo kun je een hond ook alles leren.

Ook in België is de metafoor bekend. Zo schreef het Belgische economische tijdschrift Trends in juni van dit jaar:

Waarom ook niet nadenken over een fiscaal snoepje? Dat kan België weer op de kaart zetten. Zo’n snoepje kan bijvoorbeeld de afschaffing van de roerende voorheffing op dividenden zijn.

Koopkrachtsnoepje is misschien een gelegenheidssamenstelling die we mogen negeren, maar snoepje in de metaforische betekenis zou weleens een vaste waarde in onze taal kunnen worden.

Definitie

koopkrachtsnoepje (het, -s) financiële meevaller voor de burger waardoor diens koopkracht stijgt, als dan niet met de bijgedachte dat de meevaller bedoeld is om een verschijnsel dat de burger financieel benadeelt (bv. inflatie) te verzachten

Ton den Boon, hoofdredacteur Dikke Van Dale

Het Woord van de Dag (#WVDD) wordt mede mogelijk gemaakt door Taalbank.nl. Dit artikel is ook te vinden op de website van Taalbank.nl.