Betekenis 'had'

Je hebt gezocht op het woord: had.

1heb·ben (had, heeft gehad) 1bezitten als eigenaar2bezitten als gebruiker3in dienst hebben: het bedrijf heeft veel personeel4in zijn macht hebben: zou de politie de dief al hebben?5getrouwd zijn met: heeft hij geen vrouw?6de zorg hebben voor: ze hebben drie kinderen7bevatten, inhouden: de stad heeft 25.000 inwoners8bij zich dragen: een stok in de hand hebben9lijden aan: koorts hebben10een bep. tijdstip constateren op een uurwerk: ik had het 6 uur11gehoord hebben: hij heeft het van zijn vader12toestaan, dulden: vader wil het niet hebben dat mag niet van hem13les krijgen in: het eerste uur hebben we Nederlands14(+ van) lijken op15(+ over) spreken over: waar hebben ze het over?16(+ tegen) spreken tegen: hij heeft het tegen jou!17(hulpwerkwoord, gevolgd door een voltooid deelwoord): ik heb dit geschreven18(+ te) moeten: hij had nog veel te doenwat heb je eraan? wat schiet je ermee op?; iets bij de hand hebben onder zijn bereik; iets tegen iem. hebben hem niet mogen; te doen hebben met iem. medelijden hebben met iem.; te maken hebben met iets erbij betrokken zijn; hem om hebben dronken zijn; een huis van heb ik jou daar een heel groot huis; het goed, slecht, druk hebben in de omstandigheden verkeren, door de bepaling genoemd; pret hebben voelen, ondervinden; alles tegen hebben pech hebben; ze hadden het niet meer (a) konden niet (meer) ophouden met lachen; (b) waren vreselijk ongerust; iets hebben met iem. een liefdesrelatie onderhouden; niets hebben met voetbal er niets aan vinden, er geen interesse voor hebben; dan heb ik (zo)iets van … dan denk ik bij mezelf …; het helemaal gehad hebben met iem. schoon genoeg hebben van hem

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.