Betekenis 'appel'

Je hebt gezocht op het woord: appel.

1ap·pel (het; o; meervoud: appels) 1(juridisch) hoger beroep: appel aantekenen; in appel gaan2(militair) sein tot verzamelen: appel blazen3verzameling van de troepen waarbij de namen worden afgeroepen om te zien wie er zijn4oproep tot steun: ik doe een appel op de kiezers; (sport) een appel voor buitenspel een beroep van een speler op de scheidsrechter om daarvoor te fluiten 2ap·pel (de; m; meervoud: appels, appelen) 1vrucht van de appelboom: appels eten; de appel valt niet ver van de boom, van de stam kinderen aarden naar hun ouders; door de zure appel heen bijten het onvermijdelijke aanvaarden of doen; voor een appel en een ei zeer goedkoop; een appeltje met iem. te schillen hebben hem ernstig moeten spreken over iets; een appeltje voor de dorst bewaren iets opzijleggen voor de tijd van nood; appels met peren vergelijken twee ongelijksoortige zaken met elkaar vergelijken, waardoor de uitkomst nietszeggend is; een rotte appel iem. die niet wil deugen

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.