Waarom moeten we woorden redden van de vergetelheid?

De Dikke Van Dale omvat zo’n 250.000 woorden, heel wat meer dan we dagelijks nodig hebben. Met 1200 woorden komen sommigen al aardig uit; 5000 woorden helpen ons een vreemde taal redelijk te spreken.
 
Nederlanders en Vlamingen hebben een passieve woordenschat van 20.000 woorden. Sommige taalwonderen onder ons kennen er meer. Hun kennisvelden overlappen elkaar deels. Tel je alle kennis van alle taalgebruikers bij elkaar op, dan komen we een heel eind naar die 250.000. Toch blijft er een gigantisch aantal woorden over die door vrijwel niemand worden gekend en erkend in hun ‘woordzijn’. Ze liggen decennia- zo niet eeuwenlang te slapen, wachtend om wakker gekust te worden. Sommige woorden zitten als muurbloempjes aan de kant, hunkerend naar een dans, verlangend naar koesterende armen. Niemand weet het, maar ze zijn zeer de moeite waard als je ze eenmaal leert kennen.
 
Taal is een levend organisme: woorden en begrippen verdwijnen en er komen nieuwe bij. In de middeleeuwen werd bij oorlogvoering en het beleg van een stad niet zelden de blijde ingezet. Een historicus zal dat woord herkennen en in de juiste context gebruiken. De gemiddelde taalgebruiker associeert het met blijde verwachting, ongeveer het tegendeel van de heersende emoties in de belegerde vesting. Omgekeerd zou je mijn grootvader, de typograaf, als hij uit de dood zou kunnen worden opgewekt, in opperste verwarring kunnen krijgen door hem te melden dat je de kopij digitaal zult aanleveren, terwijl een middeleeuwer al helemaal verbijsterd zal zijn om het woord en het begrip krantKrant is een woord dat in de nabije toekomst wellicht op de lijst met bedreigde begrippen terecht zal komen. Dat woorden in onbruik raken is niet verwonderlijk, maar met hun verdwijnen nemen ze een heel klein stukje geschiedenis met zich mee.
 
Een andere categorie in onbruik rakende woorden heeft geen last van de voortgang van de geschiedenis. ‘Troost’, ‘steun’, ‘verlichting van het lijden’ zijn van alle tijden en onafhankelijk van gebruiksvoorwerpen of gewoonten. Het woord soelaas waarin dat allemaal zit en dat zo prachtig bijna een zucht is, een onomatopee welhaast, inleiding 10 wordt helaas te zelden gebruikt en door een jongere generatie niet gekend.
Soelaas
Zo’n woord zou het verdienen om vaker gebruikt te worden. ‘Waarom moeten we woorden redden van de vergetelheid? Waarom moeten we woorden gebruiken die niemand kent? Taal is communicatie, en die moet zo duidelijk en efficiënt mogelijk zijn. Als je moeilijke en onbekende woorden gebruikt, sluit je mensen uit.’ Deze warme en sociaal voelende opmerkingen bestempelen de creatieve en breed georiënteerde taalgebruiker tot een elitaire en arrogante minachter van de ‘gewone man en vrouw’. Het bewaren van de taal in al haar rijkdom wordt gezien als een vorm van discriminatie. Schrijvers krijgen soms dat verwijt. En geprezen worden zij die geen moeilijke woorden gebruiken; het wordt door leerlingen in hun boekverslagen gezien als een kwaliteit. Treurige misvatting.
Natuurlijk willen we graag begrepen worden, en vanzelfsprekend zullen we ons best doen om onze gevoelens of onze kennis zo over te dragen dat er geen misverstand kan rijzen. Daar heb je niet de botte bijl, maar de nuance bij nodig. Taal kan ons nuances geven zo rijk en divers als de kleuren in een aquarel. Zowel de woordenschat als de grammatica stelt ons in staat onszelf goed uit te drukken. Gaan we aan die woordenschat en aan die grammatica zodanig sleutelen dat alleen de meest simpele en overkoepelende begrippen, de meest enkelvoudige constructies gebruikt mogen worden, dan doen we onszelf tekort.
 
Het argument van efficiëntie, waarbij de reductie van begrippen en afspraken over het gebruik en de definitie van bepaalde woorden een soepele communicatie waarborgen die de kans op fouten, vergissingen en misverstanden terugbrengt, zich richt op een grootste gemene deler van taalgebruikers en uitgaat van de gemiddelde woordenschat van de gemiddelde gebruiker, is toegeven aan functioneel minimalisme, wat zal leiden tot poëtisch analfabetisme. Dit is een zin waarbij vermoeide 140-tekens-taalgebruikers al bij de eerste bijzin afhaken! Maar goed, het kan korter: ‘Efficiëntie leidt tot analfabetisme.’ Pardon, twee moeilijke woorden. Opnieuw: ‘Doelmatigheid maakt ongeletterd.’ Hè? Nog een keer: ‘Wie taal uitsluitend gebruikt om boodschappen efficiënt over te brengen, zoekt niet naar de nuance en verkleint zo de uitingsmogelijkheden. Dat zal leiden tot beperkte geletterdheid.’ Tja; beter, maar nog niet ideaal. Hier moet dus eigenlijk een mooi gedicht komen.
De huidige beeldcultuur zal meer en meer met pictogrammen en andere hiërogliefen de genuanceerde taalcultuur vervangen. Het moet snel en oppervlakkig. Het relaas van een ongelukkige gebeurtenis, ‘de kat is dood’, kan worden afgesloten met het 11 emoticon :-( of het equivalente plaatje ervan. De auteur van de boodschap is verdrietig. Maar hoe verdrietig? Ontroostbaar? Enigszins opgelucht? Een beetje melancholiek? Is het teken ironisch te interpreteren? Dat weten we pas als de hoeveelheid emoticons de hoeveelheid mogelijke woorden gaat benaderen, en dan hoef je geen emoticons te hebben. Emoticons hebben bovendien geen grammatica.
Schrijvers moeten de beheerders zijn van de taal en op zoek gaan naar woorden die uit het gebruik dreigen te vallen; zij moeten ze redden van vergetelheid. Lezers moeten die woorden
oppikken, ze adopteren en gebruiken. Alleen zo kan de taal het levende organisme blijven dat ze altijd was. Omhels het nieuwe. Behoud het oude. 

Frits Spits

Zo lang mogelijk. De woorden die voorgoed verdwijnen wuiven we na. Tenslotte is er niemand meer die ze kent. Ze vallen uit het woordenboek, uit alle woordenboeken. Nee, we kunnen niet alles redden. Maar we kunnen wel onze taal in al haar rijkdom gebruiken.
 
Het literaire tijdschrift Raster vroeg in 1992 ruim vijftig auteurs ‘een verdwenen of in onbruik geraakt ding tot leven te roepen, een ding gekoppeld aan een vergeten woord’. Dat leidde tot een fraai vergeetwoordenboek, een duik in het collectieve geheugen met grappige en serieuze verhalen, persoonlijke herinneringen en nuchtere definities. Het bedenken van vergeetwoorden werd daarna korte tijd een probaat middel om een stokkende conversatie op gang te krijgen.
 
Het 150-jarig bestaan van de Dikke Van Dale gaf me de gelegenheid de herinnering aan het vergeetwoordenboek op te halen en eenieder op te roepen een vergeetwoord te adopteren. Gebruik ze, koester ze, herhaal ze. Die oproep werd overgenomen door Frits Spits, de maker van het populaire programma De Taalstaat op Radio 1. 

Nelleke Noordervliet

En vervolgens werd de oproep gehoord en gevolgd door een toenemend aantal betrokken luisteraars die een woord adopteerden en beloofden er goed voor te zorgen. Het zijn lang niet allemaal vergeten voorwerpen die tot leven worden gewekt, het zijn ook in onbruik geraakte begrippen en modewoorden die een hele vervlogen periode oproepen. Soms is het een reactie op een ingeslopen verkeerd gebruik van het woord. Uit de verhalen en reacties van deze Nederlandse taalgebruikers is dit woordenboek samengesteld. Ik ben er blij mee. Het is uiteraard niet uitputtend. De lezer zal zijn of haar eigen favoriete vergeetwoorden er misschien niet in vinden. Voeg ze gerust toe. De woorden zijn u dankbaar.




Nelleke Noordervliet

 

1000 vergeetwoorden om te koesteren