programmageluk

18-01-2018 - Woord van de Dag - Van Dale Uitgevers

programmageluk

Volgens Van Dale zijn er allerlei soorten van geluk: huwelijksgeluk, levensgeluk, liefdesgeluk, zelfs slaapkamergeluk – al is dat laatste misschien niet wat u denkt dat het is: een plantje uit de brandnetelfamilie dat ook wel bekend staat als de baard … Lees verder

Volgens Van Dale zijn er allerlei soorten van geluk: huwelijksgeluk, levensgeluk, liefdesgeluk, zelfs slaapkamergeluk – al is dat laatste misschien niet wat u denkt dat het is: een plantje uit de brandnetelfamilie dat ook wel bekend staat als de baard van Mozes.

Geregeld lees je andere gelukswoorden die níét in het woordenboek staan: cafégeluk, leesgeluk, vakantiegeluk – allemaal vormen van geluk waar je je als gewone sterveling wat bij kunt voorstellen. Ze verwijzen naar die toestand waarin je al je aardse wensen en verlangens heel even bevredigd ziet. De een ervaart dat in het café, de ander op vakantie, een derde vindt het in zijn leesstoel.

23 jaar geleden, op 25 februari 1995, troffen we in De Volkskrant een bijzonder gelukswoord aan. Frits Spits nam afscheid van Avondspits en keek terug op een programma waarin hij ‘veel geluksmomenten’ had beleefd. Programmageluk noemde hij die toestand en hij gaf er meteen een definitie bij: ‘dat je je prettig voelt in je eigen programma’.

Die omschrijving deed vermoeden dat er over dat woord was nagedacht. En dat we het vaker zouden gaan lezen. En inderdaad, een paar maanden later viel het opnieuw, nu in De Gelderlander. Opnieuw was het Frits Spits, inmiddels presentator van Tijd voor Twee, die programmageluk ervoer: ‘dat gevoel dat je je fijn voelt terwijl je een programma maakt’.

Twee jaar later was het woord in Trouw te lezen, in 1999 stond het in De Volkskrant, in 2013 dook het opnieuw op in De Gelderlander, waarin Spits zei dat programmageluk het mooiste is wat hij in zijn programma’s kan bereiken: ‘Dat is als de muziek en alles wat je hebt voorbereid en bedacht perfect op elkaar aansluiten.’ De definitie werd steeds preciezer: ‘Het is er alleen wanneer alles op zijn plek valt, de platen met elkaar een mooi verhaal vertellen en de gesprekken en presentaties goed lopen.’ ‘Dan ga ik echt op vleugels naar huis’, voegde hij eraan toe.

Vandaag wordt Frits Spits 70. Hij is inmiddels presentator van De Taalstaat en het zou ons niet verbazen als hij in een interview ter gelegenheid daarvan het woord opnieuw laat vallen: programmageluk. En dat hij er een puntgave woordenboekdefinitie bij geeft.

Als een woord maar vaak genoeg in de krant staat, komt het vanzelf op het pad van de woordenboekmaker. Dat geldt ook voor programmageluk, een mooi woord, al kent het één beperking: Frits Spits is de enige die het in de media gebruikt. Als het woord nou eens zou worden geadopteerd, overgenomen, aangehaald, geciteerd, kortom als het woord ook zou worden gekoesterd door andere programmamakers, dan wordt het misschien nog eens een vakterm bij radio en tv. En komt het wellicht zelfs in de Dikke Van Dale.

In Nederland is programmageluk weliswaar nog altijd een-op-een verbonden met Frits Spits, maar buiten de landsgrenzen heeft het woord al wel furore gemaakt. Op 30 november 2006 schreef Die Welt over de Britse zender ITV, die te maken zou hebben met ‘schwankendes Programmglück’. Wisselend programmageluk, nou ja, maar zelfs zó’n vindplaats maakt duidelijk dat programmageluk echt een woord met grote potentie is.


stormpoolen

18-01-2018 - Woord van de Dag - Van Dale Uitgevers

stormpoolen

De westerstorm die vanochtend over het land trok, legde het treinverkeer helemaal lam. Reizigers strandden op stations waar ze niets te zoeken hadden. Dat zorgde toch ook voor iets goeds – én een nieuw woord. Want op de sociale media … Lees verder

De westerstorm die vanochtend over het land trok, legde het treinverkeer helemaal lam. Reizigers strandden op stations waar ze niets te zoeken hadden. Dat zorgde toch ook voor iets goeds – én een nieuw woord. Want op de sociale media ontstond een spontane actie om gestrande reizigers te helpen. Autobezitters boden op Twitter via de hashtag stormpoolen zitplaatsen aan. ‘Het initiatief kwam van de Leidse wetenschapsjournalist Ionica Smeets en de NS omarmde haar idee meteen met de reactie,’ aldus Omroep West.

Een mooi initiatief. Maar ook een mooi woord: stormpoolen.

Maar hoe zit dat woord in elkaar? Poolen kan worden gebruikt als verkorting van carpoolen: gezamenlijk gebruikmaken van een auto voor het woon-werkverkeer. In stormpoolen noemt het eerste deel van de samenstelling de aanleiding voor het poolen: de storm. Op vergelijkbare wijze zou je dus ook hagelpoolen, regenpoolen en sneeuwpoolen kunnen vormen. Zulke samenstellingen waren er echter niet, en daarom is stormpoolen een echt neologisme, niet alleen qua betekenis (carpoolen als gevolg van een storm die het openbaar vervoer heeft lamgelegd), maar ook qua samenstelling.

Waren er dan helemaal nog geen samenstellingen met poolen?

Jazeker, maar de betekenisstructuur van schoolpoolen (waarin het eerste woorddeel de bestemming noemt) heeft een andere betekenisstructuur, evenals het eerder aangetroffen wordt kerstpoolen (waarin het eerste woorddeel de gelegenheid of het tijdstip noemt)

Pas bij de volgende zware storm (met bijbehorende treinuitval) zullen we weten of stormpoolen opnieuw gebruikt gaat worden en dus of het woord al dan niet een blijvertje is in onze taal.

En, de komende herfst, als de NS bij de eerste bladval treinen uit laat vallen, verwachten we in elk geval op Twitter de hashtag herfstblaadjespoolen aan te treffen.