Taalverandering in uitvoering: ik ben trots op je.

Als we ons bij Van Dale niet vergissen, is de betekenis van het woord 'trots' aan het veranderen.

Vroeger, in de goede oude tijd, kon je alleen ergens trots op zijn als je er zelf een zeker aandeel in had. Je kon bijvoorbeeld trots zijn op iets wat je had bereikt in je werk, of op een bijzondere sportprestatie die je had neergezet. Toegegeven, ook op je kinderen kon je trots zijn, maar aan de totstandkoming daarvan had je natuurlijk ook het nodige bijgedragen door ze te baren dan wel te verwekken. Verder kon je nog trots zijn op je land, als dat een voetbaltoernooi won of de grootste haven ter wereld bezat. Maar dat was het dan ook wel zo'n beetje.

Tegenwoordig zijn veel mensen trots zonder dat ze zelf iets hebben gepresteerd. Zo hoor je vaak mensen zeggen dat ze trots zijn op iemand die zich niet neerlegt bij een ziekte, maar ertegen vecht en de ziekte uiteindelijk overwint (om even in de terminologie te blijven). Ook als die patiënt een wildvreemde is, kun je tegenwoordig heel wel zeggen dat je trots op hem of haar bent. Misschien is dit gebruik – dat is overgewaaid uit Amerika, waar men sowieso veel trotser is dan bij ons – begonnen tijdens de ziekte van wielrenner Lance Armstrong. Heel wat wielerfans waren er maar wat trots op dat die zijn kanker te boven kwam. Dat die trots later snel omsloeg in het tegendeel, is een ander verhaal.

De nieuwe trots is niet beperkt tot zieken. In de Volkskrant van 22 november 2014 stond het relaas van een treinreiziger. "We tonen onze chipkaarten aan de conducteur. Ingecheckt. 'Ik ben trots op jullie', zegt de man." Ook hier heeft de trotse pauw weinig bijgedragen aan hetgeen waarop hij trots zegt te zijn. Sterker, misschien zou hij zich eigenlijk moeten schamen om te werken voor een organisatie die de gedrochtelijke ov-chipkaart erdoor heeft gedrukt. Maar ook dat is een ander verhaal.