Betekenis 'voor'

Je hebt gezocht op het woord: voor.

1voor, vo·re (de; v(m); meervoud: voren) 1door ploegen ontstane groef 2voor (voorzetsel) 1eerder komend, dichterbij: de boom staat voor het huis2vroeger dan: voor elf uur; voor 16003in aanwezigheid van: voor de rechter4op, tegen: een schop voor zijn kont5gedurende: voor drie dagen op reis gaan6een rangorde aanduidend: ik was er voor hem7ten behoeve, in het belang, ten gunste van: voor haar kinderen; voor iets stemmen8tegen: dat is goed voor de dorst9wat betreft: bang zijn voor de hond10ten koste van: voor niets gratis11als, lijkend op: voor gek staan12in de functie van; = als: voor komiek spelen 3voor (voegwoord) 1voordat: je bent er voor je het weet 4voor (bijwoord) 1begrip van plaats of tijd: ik ga voor zitten aan de voorkant; iets, iem. voor zijn te vlug af 5voor (het; o; meervoud: voors) 1voordeel: we overwogen het voor en tegen vo·ren (bijwoord) 1andere vorm van voor (altijd met een voorzetsel): iets naar voren brengen met enige nadruk ter sprake brengen; van voren af (aan) van het begin af aan

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.