Betekenis 'kant'

Je hebt gezocht op het woord: kant.

1kant (de; m; meervoud: kanten) 1(in het algemeen) rand, zijde; buitenste strook of zoom2oever: vanaf de kant naar een roeiwedstrijd kijken3zijvlak van een (hoekig) lichaam: de zes kanten van een dobbelsteen; deze kant boven4een van de zijden van het lichaam: aan één kant doof zijn5een van de beide uiteinden van iets: aan iemands kant staan partij voor hem kiezen; aan de ene kant wel, aan de andere kant niet enerzijds wel, anderzijds niet6een van de beide oppervlakken van dunne zaken als papier: voorkant, achterkant; het papier maar aan één kant beschrijven7richting: die kant opkant noch wal raken onzinnig zijn; iets niet over zijn kant laten gaan ertegen in opstand komen; een kamer aan kant houden opgeruimd houden; zich van kant maken zelfmoord plegen; aan de kleine kant zijn net te klein; dat klopt van geen kant(en) totaal niet 2kant (de; m; meervoud: kanten) 1fijn, kunstig maaksel van linnen, garen, zijde enz.: Brussels(e) kant kan·ten (bijvoeglijk naamwoord) 1van 2kant: een kanten kraagje

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.