Betekenis 'hoofd-'

Je hebt gezocht op het woord: hoofd-.

hoofd (het; o; meervoud: hoofden) 1bovenste deel van het menselijk lichaam: aan iets het hoofd bieden zich ertegen verzetten; iemands hoofd eisen zijn aftreden eisen; een hard hoofd in iets hebben een zaak somber inzien; heel wat aan zijn hoofd hebben de zorg voor veel dingen hebben; er hangt ons iets boven het hoofd er dreigt gevaar; iem., iets over het hoofd zien (per ongeluk) niet zien; uit het hoofd leren van buiten; iem. voor het hoofd stoten kwetsend behandelen; zich het hoofd breken over iets erover tobben; het groeit me boven het hoofd ik kan het niet meer overzien, het wordt me te veel; het hoofd koel houden rustig blijven, niet in paniek raken; zijn hoofd stoten (a) het door stoten bezeren; (b) afgaan, gezichtsverlies lijden; het hoofd boven water houden (a) niet onder de omstandigheden bezwijken; (b) zich financieel redden; uit hoofde van wegens2verstand: niet goed bij het hoofd zijn min of meer gek3eerste, met leiding belaste, voornaamste persoon4persoon: zoveel hoofden, zoveel zinnen zoveel mensen, zoveel zienswijzen; zestig euro per hoofd5het bovenste, voorste gedeelte van iets: het hoofd van een brief; aan het hoofd staan de leiding hebben

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.