Betekenis '-wezen'

Je hebt gezocht op het woord: -wezen.

wees (de; m,v; meervoud: wezen) 1kind dat beide ouders verloren heeft 1we·zen (was, waren, is geweest) 1zijn, bestaan: bij wie moet u wezen?; ik ben wezen vissen heb gevist; hij mag er wezen (a) is goed voor zijn taak berekend; (b) is knap om te zien 2we·zen (het; o; meervoud: wezens) 1het essentiële; dat wat iemand of iets maakt tot wat die persoon of die zaak is, het belangrijkste kenmerk van iemand of iets2schepsel; er was geen levend wezen te zien3(in samenstellingen) alles wat het in het eerste lid genoemde betreft: bankwezen, loodswezen, muntwezen wij·zen (wees, heeft gewezen) 1tonen (door de wijsvinger in een bep. richting te steken): iets van de hand wijzen afwijzen; dat wijst zich vanzelf dat blijkt wel als je bezig bent2(een) vonnis wijzen vellen, uitspreken

Dit woord opzoeken in onze grootste woordenboeken?

Bestel nu uw toegang of probeer Van Dale Online gratis. U krijgt direct en zonder verdere verplichtingen tijdelijk toegang tot de beste taalhulpmiddelen van Van Dale.