U hebt gezocht op het woord: maken.
RESULTAAT
maak de; m het maken: in de ~ zijn in voorbereiding
ma·ken maakte, h gemaakt 1 vervaardigen; voortbrengen, scheppen: een schilderij ~ 2 repareren, herstellen: zijn fiets laten ~ 3 in een bep. toestand brengen: iem ongelukkig ~ 4 veroorzaken: de situatie maakt dat er zoveel pessimisme heerst 5 in een toestand verkeren: hoe maak je het? hoe is het met je gezondheid?; kans ~ hebben 6 het wezen vormen: kleren ~ de man || dat kan ik niet ~ fatsoenshalve niet doen; de nieuwe mode gaat het helemaal ~ een groot succes worden; wie maakt me wat? hier ben ik veilig; het schip maakt water is lek