Column van Ton den Boon: Vleesgeworden woorden

Het ‘vleesgeworden woord’, zo wordt Jezus wel genoemd. De uitdrukking is een van de talrijke omschrijvingen van het Jezuskind, wiens geboorte met Kerstmis wordt gevierd. Andere omschrijvingen zijn het Lam Gods (Agnus Dei), de goede herder, de rots of redder der eeuwen, de Verlosser der wereld, de Voleinder des geloofs, de vorst des levens en de zon der gerechtigheid. En dat is nog maar een greep uit de vele benamingen voor het ‘Godskind’ die in de Dikke Van Dale te vinden zijn.

De uitdrukking ‘vleesgeworden woord’ gaat terug op het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes. Daar staat ‘Het Woord is Vlees geworden en heeft onder ons gewoond.’ Sommige christelijke theologen beschouwen deze kernachtige uitspraak als de essentie van het christendom, temeer daar deze uitspraak vrijwel onmiddellijk volgt op wat je wel de definitie van God zou kunnen noemen: ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’

Geen wonder dat deze uitspraak – en dan vooral het deel ‘het Woord is Vlees geworden’ – een eigen leven is gaan leiden in onze taal, ook buiten het religieuze domein. In literair werk bijvoorbeeld zijn geregeld toespelingen op deze Bijbelpassage te vinden. ‘O zoontje in me, o woord ongeschreven, / O vleeschlooze, o kon ik u baren’, schreef Martinus Nijhoff met een duidelijke verwijzing naar de aangehaalde Bijbelpassage. De schrijver-dichter Marc Reugebrink relativeerde het Bijbelwoord in de versregel ‘Het woord is vlees zolang het leeft’ en de dichter Lucebert draaide het christelijke uitgangspunt compleet om – of misschien toch niet – toen hij schreef: ‘Het vlees is woord geworden’. Met nog meer vrijheid – maar nog steeds duidelijk herinnerend aan het Bijbelboek Johannes, heeft Arnon Grunberg het in zijn roman Tirza over ‘Een woord waaraan opeens een lichaam vastzit, en wat voor lichaam, een woord van vlees.’ Zulke passages maken duidelijk hoe doordrenkt onze literatuur nog steeds is van het Bijbelse erfgoed.

Ook de taal zelf heeft een woord te danken aan de aangehaalde passage, namelijk ‘vleesgeworden’. In het Bijbelboek Johannes betekent vleesgeworden ‘geïncarneerd’ en verwijst het naar de raadselachtige menswording van het Woord. Tegenwoordig gebruiken we het woord echter veel vaker op een wereldse manier in de betekenis ‘verpersoonlijkt’ of ‘belichaamd’. In die betekenis treffen we ‘vleesgeworden’ dagelijks aan in zinnen van het type: ‘Marilyn Monroe was de vleesgeworden verleiding’, ‘Barack Obama is de vleesgeworden Amerikaanse droom’, ‘Herman Wijffels is het vleesgeworden poldermodel’, ‘Doutzen Kroes is de vleesgeworden schoonheid’ en – zoals onlangs nog in de krant stond – ‘Ivo Opstelten is de vleesgeworden commissaris uit de politieseries die zijn speurders eerder in de weg loopt dan hen helpt de boeven te pakken te krijgen’.

De invloed van de Bijbel op het Nederlands is nauwelijks te overschatten. Niet alleen veel woorden maar ook tal van uitdrukkingen gaan direct of indirect terug op oude of nieuwere Bijbelvertalingen. Het land van melk en honing, parels voor de zwijnen, een lust voor het oog, door het oog van de naald en de tekenen des tijds – al deze uitdrukkingen vinden hun oorsprong in de Bijbel. Daarover gaat het boek Een lust voor het oog, inspirerende lectuur voor onder de kerstboom (of elders).